Enkele aanwijzingen om uw plezier bij het paddestoelenwaarnemen te vergroten

DETERMINEREN

Ieder die als leek aan fungi begint, begint met plaatjeskijken. Dat beginstadium kan jaren duren en velen komen nooit verder. En alhoewel een redelijk aantal soorten direct in het veld herkenbaar is, voor een groot aantal geldt dat zonder microscopische details geen zekere determinatie mogelijk is. Wilt u verder komen, probeer dan aan een redelijk goede microscoop te komen, eventueel via de Nederlandse Vereniging Voor Microscopie (NVVM), en zie uit naar boeken waarin ook microscopische tekeningen staan. Zie daarvoor het literatuuroverzicht. Ga dan tekenen, meten en vergelijken. U zult ontdekken dat het schimmelrijk ook microscopisch veel schoonheden kent. Om daarvan een paar voorbeelden te geven kunt u enkele aquarellen en kleurenscans bekijken van Willem Labeij. Via deze pagina kan u ook een idee krijgen van de literatuur die beschikbaar is voor een groep als de Ascomyceten. Tenslotte: de door de NMV georganiseerde "microscopiedagen voor beginners" hebben al velen op weg geholpen!

COLLECTIE BESCHRIJVEN EN AANLEGGEN VAN EEN HERBARIUM

Als u fungi vindt die u niet kent, is het verstandig die vondsten te bewaren. Voor fungi die nog niet of hoogst zelden in Nederland gevonden zijn (asterisk in het "Overzicht") is het zelfs noodzakelijk. Een vondst van een nieuwe soort zal niet in het bestand worden opgenomen als er niet ergens bewijsmateriaal van aanwezig is. Voor het vastleggen van uiterlijk: zie ook de methode van directscannen van heel kleine paddestoeltjes.

Bij het verzamelen van fungi moet erop gelet worden dat:
1 Niet twee of meer soorten door elkaar worden verzameld;
2 Per collectie een zo groot mogelijke variatie wordt verzameld; waaronder zo mogelijk jonge en volgroeide exemplaren;
3 De steelvoet niet wordt vergeten;
4 Smaak, geuren en kleuren z.s.m. worden vastgesteld en genoteerd;
5 Niet meer wordt aangeraakt (steel!) dan strikt noodzakelijk is;
6 Indien mogelijk exemplaren blijven staan.
Thuis gekomen wordt de collectie beschreven: d.w.z. meten, tekenen, structuren met een loep bekijken en indien wenselijk het maken van een sporée (=sporenprent). Daarbij kan het volgende beknopte schema worden gebruikt:

Beschrijving (van macroscopische kenmerken)
Let op: u kunt een beschrijvingsformulier downloaden voor plaatjeszwammen (PDF, 26 KB), zoals beschreven in hoofdstuk 3.6 in het Basisboek Paddenstoelen.

Kenmerken die beschreven moeten worden:
geur: (vaak slechts waarneembaar bij doorsnijden)
smaak:
tekening:
hoed:
- vorm: (bijv. bol, afgeplat of ingedeukt)
- kleuren, oppervlak en vlees
- verkleuring bij beschadiging
- hygrophaan? (verkleurend bij opdrogen)
- kleverig? slijmerig? hoedhuid aftrekbaar?
- gestreepte rand? (door de hoedhuid zie je de amelaanhechting)
- haartjes, barstjes, schubjes, wratjes, etc.
- velumresten
lamellen:
- aantal grote (=L); aantal kleine tussen twee grote (=l)
- aanhechting aan de steel (bijv. vrij, afgerond, bochtig, aflopend)
- vertakt, geplooid of aderig verbonden?
- vorm (bijv. spits toelopend of breed driehoekig)
- hoogte en dikte
- consistentie (bijv. waterig, vlezig, wasachtig of taai)
- kleuren (jong vaak anders dan met rijpe sporen)
- lamelsnede anders gekleurd dan lamelvlak?
- lamelsnede gaaf, getand of behaard?
steel:
- lengte, dikte
- vorm, steelholte?
- aanhechting aan hoed (soms steeltop abrupt eindigend in hoedvlees)
- kleuren: verkleuringen (oppervlak en inwendig vlees)
- oppervlakkige haren, fibrillen, velumresten
- ring (vorm, aanhechting, streping, versiering)
- kleverige zones?
- wijze van aanhechting aan het substraat (schijfje?)
- velum aan de basis (randjes of een beurs?)
- knol? rhizoiden?
- consistentie
melksap? verkleuring van het sap?
sporéekleur: leg de hoed (met de lamellen aan de onderzijde) iets vochtig een dag op papier onder een stolp
eventuele kleurreacties met chemicaliën

Bij het macroscopische werk zij opgemerkt dat een mooie tekening voldoening geeft maar tijd kost. Een tekening van de lengtedoorsnede bespaart tijd. Voor degene die later het materiaal wil bekijken, zijn tekeningen van vruchtlichamen en van microscopische onderdelen van grote waarde. Bij het microscopiseren heeft men doorgaans aan zeer kleine lamelfragmenten genoeg. Voor het onderscheiden van cystiden en basidiën is quetschen (uit elkaar kloppen) noodzakelijk. Het gebruik van verdunde loog (NH40H 10% of KOH 5%) i.p.v. water verheldert het microscopisch preparaat.

Drogen
Een collectie die goed beschreven is heeft op zijn minst voor u zelf al veel aan waarde gewonnen. Na het beschrijven komt het drogen. Dat moet gebeuren bij een temperatuur van ongeveer 30°C met maximale ventilatie. Eventueel kiest men daarvoor een plekje bij de verwarming. Bij temperaturen van 40 graden en hoger verkleven de hyfen aan elkaar en zijn ze later met geen mogelijkheid meer van elkaar los te weken. Om het droogproces te versnellen is het verstandig om dikke vlezige exemplaren een- of meermalen door te snijden. Later, bij het opbergen, heeft dat ook nog eens voordelen. Om te weten te komen of een vlezige paddestoel al droog is, moet u die even op de (kale) tafel laten vallen. Klinkt dat als dun droog hout dan is het droog genoeg.
Veel mycologen hebben zelf hun droogstoof gebouwd. In principe is het steeds een (onder en boven open) verticale koker waarin men etagegewijs gazen boven elkaar kan plaatsen. Onder in de koker plaatst men een bescheiden warmtebron, bijvoorbeeld een verwarmingsplaatje of een lamp. Op de gazen legt men de te drogen fungi. Het is wel verstandig om eerst uit te vinden hoe warm het onderste gaasje wordt.

Opbergen
De gedroogde fungi zijn merendeels klein, dun en breekbaar. Voor breekbare collecties is het noodzakelijk om die in doosjes te doen. Vanzelfsprekend kiest men de doosjes zo klein (en plat) mogelijk om ruimte te besparen. Een eventuele sporée kan in een envelopje er bij in. Elastiekjes en plakband veranderen na enige jaren en zijn dus onbruikbare hulpmiddelen.
Als volgorde kan men kiezen voor alfabetische rangschikking binnen de groep (bijv. Agaricales) en de soorten alfabetisch binnen het geslacht (bijv. Mycena abramsii tot M. zephirus). Natuurlijk hebt u de beschrijving steeds bij de collectie gehouden, zodat eventuele erfgenamen later niet hun vakantie hoeven te offeren om het archief van beschrijvingen te combineren met alle onherkenbare schimmelmummies.
Het bewaren behoeft in een normaal gestookt en geventileerd huis geen probleem te zijn. Als u echter een vochtig huis bewoont, heeft u al gauw het probleem van beschimmeling, tenzij u de herbariumkast met behulp van een warmtelamp voldoende droog houdt. Ook bij ouder materiaal is de hierboven omschreven "droog-genoeg-valtest" bruikbaar.
Als u na verloop van tijd ontdekt dat er kleine kevertjes in uw collecties rond scharrelen, kunt u het beste alles enige weken in plastic zakken in de diepvries stoppen en daarna alles opnieuw drogen in verband met de nadien gevormde condens. U kunt ook elke nieuwe gedroogde collectie voor de zekerheid eerst een tijdje diepvriezen. Ook zijn er mycologen die alle gedroogde materiaal in afsluitbare plastic zakjes bewaren zodat er geen ingang voor vocht, insecten en stofmijten is.