>>> Karteringsformulier: klik op het gewenste gebied voor uitleg! <<<

Karteringsformulier
Uitleg:
Hieronder volgt de uitleg over bovenstaand formulier per onderdeel.

A: Volledige gegevens van de waarnemer. Bij grotere partijen mag na het eerste formulier met verkorte aanduidingen worden volstaan. Bij groepsexcursies geldt de schrijver als waarnemer.

B: Bij voorkeur de naam van het gebied die ook terug te vinden is op de stafkaart, zodat controle van kilometerhok of coördinaten mogelijk is. Voorbeeld: "Bosje aan de Gouw, 1 km Z. van Oostwoud (NH)".

C: Rapport/Literatuurbron. Het eerste woord stamt nog uit de tijd dat veel rapporten op formulier werden gezet. Het tweede woord is voor velen aanleiding geweest om hier hun gebruikte determinatiewerken te vermelden. Dit is zeer nuttig, met name als er twijfel is over een of meer opgegeven soorten.

D: Hier wordt door de bestandsbeheerder (en dus niet door een DC of CC, zoals de formulieren vermelden) het formuliernummer ingevuld. Het dient als "label" in het digitale bestand, maar ook om de papieren formulieren later terug te kunnen vinden in het archief.
Belangrijk: U dient wel uw waarnemersnummer in te vullen in het vakje "codenr." uiterst rechts!

E: De waarnemingsdatum is aan te geven op één dag nauwkeurig. Het betreft altijd de dag, waarop de fungi in het veld zijn waargenomen. Let op de volgorde jaarmaanddag. Als het voorgedrukte eeuwcijfer onjuist is: van 19 s.v.p. duidelijk 20 maken. Als de exacte datum niet bekend is, dan tenminste het jaar invullen. Vul bij jaarlijsten echter altijd "00" in bij maand en dag. Als men weinig waarnemingen van verschillende data wil opgeven, kan men "nieuw formulier 3/4" gebruiken. Meer informatie over formulier 3/4.

F: Men dient de plaatsaanduiding op te geven door het nummer van het atlasblok (en kilometerhok) te vermelden of door de Amersfoortcoördinaten in te vullen. Klik hier om te leren hoe je de juiste coördinaten kunt vinden.
Let op: wanneer het bezochte gebied voor een deel buiten het aangegeven hok ligt, kan men bij de plaatsaanduiding (in het vakje onder "en of") een overschrijdingsteken plaatsen: een asterisk (*).

G: Biotoop: (invullen niet verplicht), hier kunt u, wanneer alle of de meeste vondsten binnen één vegetatietype zijn gedaan, voor de hele lijst één habitatcode invullen. Als u onzeker bent over de juiste code of als u iets wilt toelichten, kunt u een korte omschrijving van het milieutype geven. Deze biotoopomschrijving wordt, als bij geen van de soorten in de lijst een milieutype staat, voorzien van een asterisk en op die manier opgenomen in het digitale bestand.

H: Hier kunt u ter verduidelijking een schetsje maken van het onder-zochte terreingedeelte, hetzij binnen het atlasblok (5 x 5 kilometerblok) of binnen een blokje van het km-blok.
J: Soortenlijst. Het is noodzakelijk voor de controle van de nummers dat de soortnamen (Nederlandse naam mag ook!) leesbaar zijn. Voor eventuele vraagtekens, verbeteringen, sensu-toevoegingen e.d. is alle ruimte. Alleen de hokjes met de te verwerken codes moeten absoluut foutloos zijn. Daarin past géén tekst die buiten de afgesproken code valt.
Als men meer dan 18 soorten wil invoeren, wordt geadviseerd het formulier van type 1 te gebrui-ken. Maar het gebruik van meerdere formulieren van type 6 is ook toegestaan. Wel moeten dan de kopgegevens opnieuw helemaal ingevuld worden. Extra soorten buiten de vakken of in de kantlijn (om een extra formulier uit te sparen) is niet toegestaan.
Tot slot vragen wij u niet te dun (of te klein) te schrijven, zodat de DC of typiste die de formulieren invoert geen waarnemingen over het hoofd ziet. Dit geldt met name voor de voorgedrukte soortenlijsten.

Codenummer van de soort:
Hier passen zes cijfers. Elke in Nederland gevonden en erkende soort heeft een nummer dat uit zes cijfers bestaat, waarvan het laatste cijfer de variëteit aangeeft. wanneer geen variëteit wordt onderscheiden, dient het laatste cijfer steeds een 0 te zijn. De codenummers kunnen worden teruggevonden in het "Overzicht van de Paddestoelen in Nederland" en in het handzamere Supplement 2 (Namenlijst, Rode lijst). Sinds het verschijnen van het "Overzicht" in 1995 zijn alweer veel nieuwe soorten in ons land gevonden. Een complete lijst hiervan vindt men in de interactieve namenlijst.
Onzekere determinaties die men slechts terloops heeft bekeken, kan men beter niet melden!

Nieuwe soorten, die nog geen code hebben, dienen te worden opgegeven middels het nieuwe soortenformulier. Omdat het niet eenvoudig is om vast te stellen of een soort nieuw is, raden wij sterk aan ook de pagina over nieuwe soorten te bestuderen.
Talrijkheid:
Hier is ruimte voor één symbool. Kies uit:
X = aanwezig
0 = onzeker (cf-determinatie, wordt niet meegerekend bij beschouwingen!)
1 = schaars (maximaal 3 vindplaatsen per km2)
2 = matig talrijk (4 tot 20 vindplaatsen per km2)
3 = (zeer) talrijk (meer dan 20 vindplaatsen per km2)
Het is moeilijk goed in te schatten hoeveel vindplaatsen op een vierkante kilometer aanwezig zijn en in de praktijk leidt deze abundantieschaal daarom tot discussies. Meestal wordt het kruisje toegepast.

Herbarium:
Als het materiaal door iemand is bewaard, vult men hier de code in van het betreffende herbarium in. Zie voor de geregistreerde herbariumcodes op deze site in het menu onder 'Karteren' ('Paddenstoelenherbaria').
Als u zelf materiaal in uw eigen herbarium wilt bewaren, kunt u een herbariumnummer laten toekennen door de CC. Dit nummer blijft van kracht tot uw herbarium later eventueel overgaat in dat van bijv. Leiden.
Kijk bij de herbariumcodes.

Oecocodes:
Gegevens over milieutype, substraat en organisme zijn zeer waardevol. Het is echter niet altijd mogelijk om de codes hiervoor in te vullen, daarom is dit niet verplicht. Elke code bestaat uit twee cijfers. U vindt de codes op deze site in het menu onder 'Karteren' ('Milieucodes').
Milieutype heet ook wel: habitat, landschapstype of vegetatietype. Als bij G geen code voor milieutype is ingevuld of als de code van enkele soorten afwijkt, vult u hier een tweecijferige code in. Als u een soort in meerdere milieutypes hebt gevonden, mag u de soort zo vaak vermelden als er verschillende plekjes zijn.
Substraat is het materiaal waarop de soort groeit, bijv. grond, een takje, bladeren. Als u een soort op meerdere substraten heeft gevonden, mag u de soort zo vaak vermelden als er verschillende substraten zijn.
Organisme geeft aan van welke plant of dier het substraat afkomstig is. Tevens kan de organismecode verwijzen naar de plant of boom, waar-mee de soort mycorrhiza's vormt. Voorbeelden:
17.31.14 geeft aan dat de soort op dode stammen (31) van berken (14) in een loofbos op matig vochtige tot droge, kalkarme bodems (17) groeit; 17.10.14 geeft aan dat de soort in hetzelfde loofbos (17) op de grond (10) groeit en mycorrhiza's vormt met berken (14).
Notities:
Hier kan men opmerkingen kwijt. M betekent: microscopisch gedetermineerd/gecontroleerd. Eventueel vermeld u daarachter de naam van degene die de controle verrichtte. Ook kan men hier bijvoorbeeld de naam van een organisme vermelden als het een soort betreft die niet in de lijst van oecocodes staat.